Reiskostenvergoeding in 2026, sluit 23 cent per kilometer nog aan op de werkelijkheid?

De kilometervergoeding is voor veel organisaties jarenlang een vrij stabiel onderdeel van het arbeidsvoorwaardenpakket geweest. Toch staat die rust steeds vaker onder druk. Zodra brandstofprijzen stijgen, laait dezelfde vraag opnieuw op: is een vergoeding van 23 cent per kilometer nog wel in balans met de werkelijke kosten die werknemers maken?

Die vraag draait niet alleen om fiscale regels. In de praktijk gaat het vooral over betaalbaarheid, redelijkheid en de manier waarop werkgevers omgaan met mobiliteit. Voor werknemers met een dagelijkse autorit naar kantoor is woon-werkverkeer namelijk geen klein detail, maar een terugkerende maandelijkse kostenpost.

De vergoeding lijkt helder, maar voelt in de praktijk vaak anders

Op papier is de situatie overzichtelijk. Werkgevers mogen een vastgesteld bedrag per kilometer onbelast vergoeden. Daarmee is de fiscale grens duidelijk. Alleen zegt zo’n grens nog niets over de vraag of die vergoeding voor medewerkers ook echt voldoende is.

En juist daar begint het verschil tussen beleid en praktijk. Een autorit bestaat immers uit veel meer dan alleen de liters brandstof die aan de pomp worden afgerekend. Ook onderhoud, verzekering, waardevermindering van de auto en andere gebruikskosten spelen mee. Daardoor ervaren veel werknemers de vergoeding niet als volledige compensatie, maar als een gedeeltelijke tegemoetkoming.

Waarom dit onderwerp voor werkgevers relevanter wordt

Voor organisaties is mobiliteit allang geen puur administratief onderwerp meer. Het raakt meerdere thema’s tegelijk: medewerkerstevredenheid, arbeidsmarktpositie, kostenbeheersing en goed werkgeverschap. Zeker in sectoren waar mensen minder makkelijk kunnen thuiswerken of afhankelijk zijn van de auto, krijgt de hoogte van de reiskostenvergoeding sneller gewicht.

Wat vroeger een standaardregeling was, wordt nu vaker een strategische keuze. Een werkgever die niets aanpast, kiest in feite ook een richting. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar het vraagt wel om bewust beleid en een goed verhaal.

Niet alleen kijken naar de kilometerprijs, maar naar het geheel

De discussie wordt vaak versmald tot één bedrag: 23 cent per kilometer. Toch is dat maar een deel van het vraagstuk. Een betere benadering is om mobiliteit als geheel te bekijken.

Hoe reizen medewerkers nu werkelijk? Welke afstanden leggen zij af? In hoeverre is er sprake van hybride werken? En welke functies of teams zijn afhankelijk van de auto? Zodra die vragen op tafel komen, blijkt vaak dat een uniforme regeling niet altijd voor iedere situatie even logisch uitpakt.

Juist daarom loont het om niet alleen naar het bedrag per kilometer te kijken, maar naar het volledige mobiliteitsbeleid. In sommige organisaties is een hogere vergoeding passend, terwijl elders vooral winst zit in maatwerk, thuiswerkafspraken of een andere mix van voorzieningen.

De druk zit niet alleen in kosten, maar ook in beleving

Een lage of krappe vergoeding werkt niet alleen financieel door. Het heeft ook invloed op hoe medewerkers beleid ervaren. Wie structureel veel reist en merkt dat de vergoeding nauwelijks aansluit op de uitgaven, kan het gevoel krijgen dat de organisatie te weinig oog heeft voor de dagelijkse realiteit.

Dat effect moet niet worden onderschat. Arbeidsvoorwaarden worden immers niet alleen beoordeeld op hun exacte bedrag, maar ook op hun redelijkheid. Medewerkers vergelijken werkgevers bovendien steeds makkelijker met elkaar. Wat ergens als normaal wordt gezien, kan elders ineens karig aanvoelen.

Wat een werkgever zich nu zou moeten afvragen

Voor veel organisaties is dit daarom een goed moment om de eigen regeling opnieuw tegen het licht te houden. Niet per se om direct meer te betalen, maar om te bepalen of het huidige beleid nog past bij de situatie van nu.

Daarbij zijn een paar vragen belangrijk. Is de regeling nog uitlegbaar? Sluit zij aan op de manier waarop medewerkers daadwerkelijk reizen? En is er voldoende evenwicht tussen fiscale mogelijkheden, organisatiedoelen en de ervaring van werknemers?

Wie die vragen serieus beantwoordt, ziet vaak sneller waar spanning ontstaat. Soms zit die in de hoogte van de vergoeding. Soms juist in het ontbreken van differentiatie. En soms in het feit dat oude afspraken zijn blijven staan terwijl de praktijk inmiddels sterk is veranderd.

Een moderne regeling vraagt om meer dan een vast standaardbedrag

Mobiliteit verandert. Werknemers reizen anders dan een paar jaar geleden, organisaties werken hybride en kosten bewegen sneller mee met externe ontwikkelingen. Daardoor past een star model niet altijd meer bij de werkelijkheid.

Dat betekent niet dat iedere werkgever meteen het hele systeem moet omgooien. Wel betekent het dat een toekomstbestendige aanpak meer vraagt dan simpelweg vasthouden aan een historisch bedrag. Denk aan combinaties van kilometervergoeding, thuiswerkvergoeding, OV-stimulering of een breder mobiliteitsbudget. Op die manier ontstaat er ruimte om beleid beter af te stemmen op verschillende groepen medewerkers.

De kern van de discussie

De echte vraag is dus niet alleen of 23 cent fiscaal is toegestaan. De belangrijkere vraag is of het bedrag in de dagelijkse praktijk nog als passend wordt ervaren. En dat antwoord zal per organisatie verschillen.

Voor sommige werkgevers is de huidige vergoeding verdedigbaar, bijvoorbeeld omdat medewerkers beperkt reizen of omdat andere mobiliteitsvoorzieningen al goed geregeld zijn. Voor andere organisaties wordt steeds duidelijker dat de vergoeding onder druk staat en minder goed aansluit op de realiteit van autorijden.