Filter op categorieën

Nieuws

Subsidie duurzame inzetbaarheid in april aanvragen

Werkgevers kunnen van 8 april tot en met 12 april 2019 een subsidieaanvraag indienen bij Uitvoering Van Beleid om werknemers langer en productief aan het werk te houden. 

De subsidie richt zich op het bevorderen van duurzame inzetbaarheid. Duurzaam inzetbaar zijn werknemers die nu en in de toekomst gezond, gemotiveerd, competent en productief kunnen werken. 

De subsidie bedraagt maximaal 12.500 euro per werkgever. 

Projecten moeten gericht zijn op een of meerdere van deze thema’s: 

  • gezond en veilig werken bevorderen, waaronder gezondere leefstijl, werkstress terugdringen en ongewenst gedrag in de werksfeer; 
  • leercultuur voor werkenden bevorderen, waaronder erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden; 
  • interne mobiliteit werkenden stimuleren, anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en  begeleiden van werknemers naar ondernemerschap; 
  • flexibele werkcultuur bevorderen, waaronder invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement. 

Door verkrijgen van advies met een implementatieplan of het verkrijgen van begeleiding bij de implementatie van een advies, waaronder het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk, moet het project duurzame inzetbaarheid van werkenden bevorderen. 

Een project mag hoogstens 12 maanden duren. De looptijd van deze projectperiode start de dag na dagtekening van de subsidieverlening en eindigt 12 maanden daarna. 

Om aan te tonen dat werknemers actief en aantoonbaar betrokken worden bij het project moet in het advies of eindverslag staan hoe het personeel betrokken is geweest. 

Bron: Salarisnet

Deel deze pagina:

AVG: wanneer mag werkgever testen op drugs en alcohol?

AVGHet tijdens werktijd testen van werknemers op alcohol, drugs en geneesmiddelen is alleen toegestaan als er voor een bepaald beroep specifieke wetgeving geldt. In de meeste gevallen is het verboden, zo laat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) weten.

Werkgevers kunnen verschillende redenen hebben om hun werknemers te willen testen op het gebruik van alcohol, drugs of geneesmiddelen. Bijvoorbeeld omdat zij de veiligheid op de werkvloer willen waarborgen of ervoor willen zorgen dat de werkzaamheden op een goede manier worden uitgevoerd. Bij het afnemen van deze tests maakt een werkgever echter inbreuk op de privacy van een werknemer. Aangezien het hier om gezondheidsgegevens gaat, gelden op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) strengere eisen dan bij andere persoonsgegevens. Het uitvoeren van alcohol-, drugs- of geneesmiddelentests mag daarom alleen als dit in de wet is opgenomen.

Test alleen voor bepaalde beroepen toegestaan

Op dit moment is het afnemen van tests alleen toegestaan voor bepaalde beroepen op basis van de Scheepsvaartwet, Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart. In het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer staat precies welke tests zijn toegestaan voor welke beroepsgroepen en wie er bevoegd zijn om deze tests af te nemen, bijvoorbeeld een arts of verpleegkundige.

Alleen bij wettelijke uitzondering testen

Valt uw organisatie niet onder één van deze wetten, dan is het afnemen van alcohol-, drugs- en geneesmiddelentests niet toegestaan, zo verduidelijkt de AP. Er zijn natuurlijk meer beroepen waarbij de veiligheid in gevaar kan komen door werknemers die onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen werken. De AP wijst erop dat het aan de wetgever is om deze beroepen dan als uitzondering in de wet op te nemen. Zolang dit niet gebeurt, mag de werkgever voor deze beroepen geen tests afnemen.

Voorwaarden voor afnemen test

Geldt voor uw organisatie wél een wettelijke uitzondering waardoor het is toegestaan om werknemers te testen, dan moet de werkgever zich nog steeds aan een aantal voorwaarden houden. Zo mag hij niet zomaar alle werknemers testen, niet meer persoonsgegevens verzamelen dan hij nodig heeft en moet hij de verkregen gegevens goed beveiligen (tool).

Bron: Rendement

Deel deze pagina:

Denk ook aan bedrijfshulpverlening bij bedrijfsuitjes

Elke organisatie moet beschikken over een actuele en volledige risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) waarin de risico’s staan die werknemers lopen tijdens het uitvoeren van hun werk. Toch zijn er altijd gebeurtenissen die niet te voorspellen zijn. Voor deze restrisico’s is de bedrijfshulpverlening (bhv) bedoeld. Bhv is dan ook een cruciaal onderdeel van arbobeleid. Maar hoe zit het met bhv bij een bedrijfsuitje?

Elke werkgever heeft een zorgplicht, ook als er maar één werknemer in dienst is (artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek). Dit houdt in dat de werkgever de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers moet beschermen. Zo moet hij ervoor zorgen dat de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade lijdt door bedrijfsongevallen of beroepsziekten. Aan de hand van de restrisico’s uit de RI&E (tools) en de aard en grootte van de activiteiten van een bedrijf moeten er werknemers worden aangesteld als bedrijfshulpverlener (artikel 15, lid 1 van de Arbowet). Dit betekent dat er te allen tijde minimaal één werknemer beschikbaar moet zijn voor de bhv. De werkgever kan ook zelf de bhv’er zijn.

Eigen bhv’er niet verplicht aanwezig bij bedrijfsuitje

De wet zegt niets expliciet over verplichte aanwezigheid van uw eigen bhv’ers tijdens bedrijfsuitjes. Meestal zijn er bhv’ers via de verhuurder van de locatie aanwezig, maar u doet er verstandig aan dit wel te checken. Zodra meerdere werkgevers verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld als een reisbureau het voortouw neemt bij het bedrijfsuitje, dan is het aan te raden gezamenlijk te overleggen over risico’s. Want uiteindelijk blijft iedere werkgever verantwoordelijk voor zichzelf en zijn eigen werknemers.  Besteedt de werkgever de organisatie van zo’n uitstapje helemaal uit aan een evenementenbureau, dan is dat bureau volledig verantwoordelijk. Een ongeval tijdens zo’n uitje wordt waarschijnlijk aangemerkt als werkgerelateerd, maar de werkgever kan zijn schade verhalen op het bureau.

Betrek eigen bhv’er bij organisatie bedrijfsuitje

Vanuit de zorgplicht voor de werknemers, is het verstandig dat de werkgever controleert of de evenementenorganisator genoeg ervaring heeft en bijvoorbeeld een (branche)-keurmerk. Inventariseer in elk geval altijd de risico’s bij het uitje en sluit zo nodig een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering af. Betrek uw eigen bhv’ers bij de organisatie van een bedrijfsuitje. Bhv’ers kunnen bijvoorbeeld een nuttige rol spelen bij preventie. Zij zien tenslotte in de praktijk waar het misgaat, hoe vaak en waarom. Deze informatie is erg waardevol bij het voorkomen van ongevallen en calamiteiten. En, al ligt dit niet vast in de wet, wijs bij afwezigheid van een eigen gediplomeerde bhv’er  altijd iemand aan die de taken kan overnemen.

Bron: Rendement

Deel deze pagina:

Simpel te constateren fout zet naheffingsaanslag buitenspel

Een belastingplichtige mag erop vertrouwen dat hij recht heeft op een teruggaaf van BTW als door een simpele controle van de inspecteur geconcludeerd had kunnen worden dat hij dit recht niet had. De naheffingsaanslag gaat in dit geval van tafel. Hof Den Haag heeft dit onlangs aangegeven.

Een belastingplichtige kan een beroep op het vertrouwensbeginsel doen als door gedragingen van de Belastingdienst bij hem het vertrouwen is gewekt dat de inspecteur instemde met zijn standpunt maar deze later daarop terugkomt. In deze zaak ging het om een man die artiesten begeleidde. Hij vroeg BTW terug aan de Belastingdienst. Daarop wilde de inspecteur zijn facturen inzien, deze stuurde de man toe. De teruggaaf werd verleend en het kwartaal daarop weer. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur echter naheffingsaanslagen (tool) op omdat de man geen recht had op teruggaaf van de BTW.

Beroep op vertrouwensbeginsel

De man deed een beroep op het vertrouwensbeginsel, hij vond dat hij redelijkerwijs had kunnen aannemen dat de aftrek toegestaan was, de inspecteur had immers zijn facturen opgevraagd. Hij beschikte ook niet over de fiscale kennis om hier een oordeel over te vormen. De inspecteur vond echter dat het voor de man meteen duidelijk moest zijn geweest dat er voor de ingediende aangiften geen recht op aftrek bestond. Het ging ook niet om een complexe aangelegenheid,  het was dan ook vrij duidelijk dat er geen recht op aftrek bestond. Dat dit aan de aandacht van de controlerende ambtenaren was ontsnapt, kon de inspecteur niet verklaren.

Geen ingewikkelde kwestie

De rechter vond dat de man aan de teruggaven het vertrouwen had kunnen ontlenen dat de teruggaafverzoeken terecht waren verleend. Daarnaast had er door een simpele controle van de verzoeken om teruggaaf voorkomen kunnen worden dat er nageheven moest worden (dus dat er geen recht op aftrek bestond). Het ging hier ook niet om een ingewikkelde kwestie. Er was dus terecht door de man een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. De stelling van de inspecteur, dat de man zich had moeten realiseren dat er geen recht op aftrek bestond, werd dus weggewuifd. De beperkte fiscale kennis van de man speelde hierbij ook een grote rol.

Bron: Rendement

Deel deze pagina: